201806.06
0

Blog: invrijheidstelling op v.i.-datum in hoger beroep geen automatisme

in Weblogs

Na 2/3 van de straf te hebben uitgezeten wordt een veroordeelde in de regel voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Bij een verdachte in hoger beroep of cassatie is dat anders. De regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling is op hen niet van toepassing omdat hun zaak nog niet klaar is. De praktijk is echter dat het openbaar ministerie de verdachte in vrijheid stelt wanneer hij of zij 2/3 van de door de rechtbank opgelegde straf in voorlopige hechtenis heeft uitgezeten. Dit is de zogenaamde ‘fictieve v.i.-datum’. Daarmee wordt voorkomen dat de verdachte langer zit dan in het geval er geen beroep was ingesteld. Een logisch uitgangspunt omdat het OM anders wel heel gemakkelijk door het instellen van hoger beroep verdachten langer kan laten zitten.

Zo werd vorig jaar in een groot drugsonderzoek een cliënt door de rechtbank na een eis van drie jaar veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar. Zowel het OM als de verdediging stelden hoger beroep in tegen het vonnis. Cliënt vindt dat hij geen wetenschap had van de aanwezigheid van verdovende middelen in een container met ananassen en het OM vond de straf te laag. Bij vonnis is de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven, iets wat de laatste tijd veelvuldig gebeurt, maar na ruim een jaar kwam de fictieve v.i.-datum in zicht.

Echter, tot ieders verbazing liet de advocaat-generaal twee weken voor de fictieve einddatum weten dat hij cliënt niet in vrijheid zou stellen. De reden daarvoor was een beschikking van het Hof Den Haag van 1 augustus 2017. Verder gaf de advocaat-generaal alvast aan zich te verzetten tegen opheffing van de voorlopige hechtenis wanneer cliënt daarom zou verzoeken bij het hof.

Wat had het hof nu bepaald in die beschikking waarnaar de advocaat-generaal verwijst? Het hof weigerde daarin de voorlopige hechtenis op te heffen, omdat met het opheffen van de voorlopige hechtenis de verdachte de v.i.-regeling kon frustreren. Aan een opheffing kunnen immers geen voorwaarden worden verbonden, terwijl dat bij een voorwaardelijke invrijheidstelling wel kan. Houdt de veroordeelde zich niet aan die voorwaarden dan moet hij zijn straf gewoon (deels) verder uitzitten. In die zaak uit 2017 zaak weigerde de verdachte elke voorwaarde na te komen. Het was te verwachten dat het OM afstel of uitstel van de v.i. zou vragen. De verdachte zou dan langer dan 2/3 van zijn straf moeten uitzitten. Door te vragen om opheffing van de voorlopige hechtenis bij het bereiken van 2/3 van zijn straf kon de hij dat omzeilen. Daar wil het hof niet aan meewerken en dat valt te begrijpen.

De situatie van cliënt verschilde echter met bovenstaande zaak.

Er was namelijk geen enkele reden om aan te nemen dat cliënt geen v.i. zou krijgen. Het niet opheffen van de voorlopige hechtenis heeft bij hem dus het tegenovergestelde effect. Cliënt zou langer vast zitten dan wanneer er geen beroep was ingesteld. Dan mocht hij immers wel na 2/3 van zijn straf (onder voorwaarden) naar huis. De verdediging verzocht het Hof Den Haag daarom om opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis. In het laatste geval kunnen er immers net als bij de voorwaardelijke invrijheidstelling wel voorwaarden worden opgelegd.

Ter zitting is ook betoogd dat op deze wijze verdachten die in beroep gaan automatisch langer vastzitten als voor het verstrijken van de v.i.-datum het hoger beroep niet wordt behandeld. Anders dan in zijn brief verzette de advocaat-generaal zich op zitting niet. Ook het hof zag geen bezwaren om de voorlopige hechtenis na 2/3 van de straf op te heffen. In de beschikking schrijft het hof dat “niet is gebleken van bijzondere omstandigheden waarom de invrijheidstelling niet op deze datum zou kunnen worden gelast” en wijst het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis toe. Punt is dus er tijdig op toe te zien dan wel expliciet te verzoeken dat de cliënt op de v.i.-datum in vrijheid wordt gesteld en dit kennelijk geen automatisme meer is.